Vragen over het uitblijven van de evaluatie van het
afschaffen van de Landschapsverordening

31 augustus 2009

Om het landschap te beschermen tegen ontsiering door ongewenste reclame-uitingen, werd de Landbeschermingsverordening (hierna Lbv) in 1996 in het leven geroepen. Met succes werd in de loop der jaren gewerkt aan het verminderen van ongewenste reclames in het buitengebied en zijn vele honderden borden weggehaald. In eerste instantie gebeurde deze handhaving vooral langs bestuursrechtelijke weg, later kwam het accent vooral te liggen op strafrechtelijke weg.
De provincie heeft de bescherming van het landschap tegen ongewenste reclame-uitingen lang gezien als een bovengemeentelijke aangelegenheid. De achtergrond van die gedachte was dat het landschap niet ophoudt bij de gemeentegrenzen en dat bescherming daarom beter op een hoger niveau kon worden uitgevoerd.
Een kentering in het denken over de rol van de provincie bij het beschermen van het landschap deed zich voor als gevolg van het streven om te komen tot deregulering.

In de vergadering van Provinciale Staten van 14 november 2003 werd een motie van de heer van Rey (VVD) aangenomen waarmee werd beoogd de Lbv af te schaffen en de gevolgen van die afschaffing na twee jaren te onderzoeken.
In de vergadering van Provinciale Staten op 28 mei 2004 werd besloten om de Lbv af te schaffen met ingang van 1 januari 2005. In de vergadering van 28 mei 2004 werd besloten de ontwikkelingen als gevolg van de afschaffing van Lbv te volgen, met de bedoeling om enerzijds te kunnen inspringen en bijstaan daar waar nodig en gewenst was en anderzijds om te bekijken of de bescherming van het landschap na afschaffing van de Lbv voldoende gewaarborgd zou blijven.

Uit de beantwoording van ambtelijke vragen die op 14 augustus 2009 werden gesteld door Pierre Diederen en Paul Wessels blijkt dat geen monitoring en geen evaluatie heeft plaatsgevonden van de gevolgen van afschaffing van de Lbv.

Een en ander is aanleiding om de volgende schriftelijke vragen ex artikel 38 van het reglement van Orde van Provinciale Staten te stellen en u te verzoeken deze vragen schriftelijk te beantwoorden.

1. Waarom heeft uw college het besluit om de gevolgen van de afschaffing van de Lbv te monitoren en te evalueren, dat werd genomen in de vergadering van Provinciale Staten van 28 mei 2004, niet uitgevoerd?

Wij gaan ervan uit dat u naar aanleiding van deze vragen alsnog over zult gaan tot het opstellen van een evaluatie van de gevolgen van het afschaffen van de Lbv en wij vragen u:

2. Bent u bereid in overleg met de Statencommissie voor het Fysieke Domein, in overleg met de Provinciale Commissie voor Omgevingsvraagstukken en in overleg met Rijkswaterstaat de criteria vast te stellen voor die evaluatie?

3. Wij verzoeken u vriendelijk ons te informeren over de termijn die u zult hanteren om te komen tot de genoemde evaluatie en de termijnen die u eventueel zult hanteren voor het overleg met de verschillende instanties (genoemd in vraag 2) om de criteria voor de evaluatie vast te stellen.

Met vriendelijke groet,

Pierre Diederen, SPD
Paul Wessels,
D66
Frank Wassenberg,
PvdD
Margriet van Tulder,
GL
Thijs Coppus
SP

Voor de beantwoording door Gedeputeerde Staten klik hier

»terug naar top pagina