TIJD VOOR ONDERWIJS
De D66 Limburg Statenfractie, het Regiobestuur D66 Limburg en de D66 afdeling Sittard-Geleen hebben op 24 mei 2008 in de stadsschouwburg van Sittard-Geleen een symposium georganiseerd met als titel "Tijd voor Onderwijs"
Na een welkomstwoord van Jeffreye Vossen en Paul Wessels gaf Boris van der
Ham, TK-lid D66 en lid commissie Dijsselbloem een korte inleding op het thema.
Hierna volgde een forumdiscussie aan de hand van ee
n drietal stellingen.
Het forum bestond uit:
Carla Grootjen (lid Centrale Directie Graaf Huyn College)
Presley Bergen (Hogeschooldocent en bestuurslid Beter Onderwijs Nederland)
Boris van der Ham
Max Patelski (Bestuurslid LAKS / Jonge Democraten)
Karel van Rosmalen (voorzitter College van Bestuur Hogeschool Zuyd)
De discussie stond onder leiding van Jan van Nierop, voorzitter Raad van Bestuur DaCapo College.
Bijgaand een korte samenvatting van de ochtend:
Paul Wessels – voorzitter van de Statenfractie D66 Limburg – opent het symposium en introduceert de dagvoorzitter Jan van Nierop.
Boris van Ham leidt het thema in en stelt dat de commissie Dijsselbloem onder
andere heeft vastgesteld dat in het huidige onderwijs kinderen met problemen
niet meer goed worden geholpen om zich uit deze positie op te werken.
Hijzelf constateert dat Tweede Kamerleden meer zelf de thermometer in de
dagelijkse praktijk van het onderwijs zullen moeten steken, zodat (stapsgewijze)
onderwijsvernieuwingen daadwerkelijk leiden tot onderwijsverbeteringen.
Vervolgens vindt, onder leiding van Jan van Nierop een levEndige discussie plaats aan de hand van de volgende stellingen.
Stelling 1: De politiek zal en moet scoren en reageert dus op elke hype in de
media.
Een zorgelijk punt is dat het invoeren van vernieuwingen steeds sneller gaat: de
Mammoetwet in 8 jaar, terwijl 2e fase en basisvorming vorming in 2-3
jaar zijn ingevoerd.
Het steeds weer opvoeren van nieuwe taken voor het onderwijs zorgt ervoor dat
basale onderwerpen minder aanbod komen (bijv. aandacht schenken aan obesitas,
etc. kan ten koste gaan van tijd voor spelling en rekenen).
Een goede samenwerking – binnen en buiten het onderwijs – en langdurig
investeren in onderwijs is nodig om kinderen zo goed mogelijk voor te bereiden
op de maatschappij. De werkelijke effecten van doorgevoerde vernieuwingen dienen
beter en systematischer te worden onderzocht.
Stelling 2: Onderwijs moet in de eerste plaats opleiden voor een vak
Neen, het gaat bij onderwijs veel meer om het ontwikkelen van mensen.
Beroepen wijzigen immers voortdurend. Het is van belang, dat bij praktische
opleidingen ook voldoende theorie aan bod komt. In het algemeen kan ook het
bedrijfsleven een belangrijke rol spelen zowel financieel als zeker ook in
praktische zin. Het overstappen van opleidingen moet worden verbeterd. Dit kan
uitval terugdringen.
Stelling 3: Onderwijs…..veel meer geld is nodig
Alleen als er structureel meer geld is, kan er structureel meer beleid
worden gevoerd. Voordat we meer geld beschikbaar stellen, moet duidelijk zijn
wat er met dit geld gaat gebeuren, zodat er een positief effect wordt bereikt.
Het meeste (nieuwe) geld is nodig voor meer en betere leraren en opleiding voor
leraren. Hierdoor stijgt de maatschappelijke waardering , wat meer mensen zal
aantrekken om leraar te worden. Kleinere klassen zal voornamelijk helpen bij een
hoog aantal probleemkinderen.
Momenteel hebben de scholen gezamenlijk circa 120 miljoen aan reserves. Dit geld
komt niet rechtstreeks ten goede aan onderwijs, maar dient bv. om tegenvallers
op het terrein van gebouwen en personeel op te vangen.
Zorgwekkend zijn de gevolgen van de demografische ontwikkelingen, waarin Limburg
voorop loopt op de rest van Nederland. In Limburg zullen er in de toekomst tot
30% minder schoolkinderen zijn. Dit zal op korte termijn leiden tot een
overschot aan leraren. Echter, enkele jaren later zullen veel leraren met
pensioen gaan, zodat er dan een tekort ontstaat. Het is dus van belang de
leraren die nu overbodig worden niet voor het onderwijs verloren te laten gaan.
Een oplossing kan zijn om de periode dat er een tijdelijke overschot aan
docenten is te benutten voor scholing van docenten. Wie gaat dit goed regelen?
De provincie kan hier als regisseur een bijdrage aan leveren.
Naast de hierboven aangestipte onderwerpen worden vanuit de zaal nog een
aantal andere discussiepunten aangedragen.
Vanuit de zaal komt de opmerking dat er sprake is van een te lage "warme
betrokkenheid" van de leraren vanwege de grote klassen en dus hoge werkdruk.
Het is belangrijk een goede mengeling te hebben tussen het bijbrengen van kennis en het leren verzamelen en bespreken van informatie. Vooral in de eerste twee jaren van het hoger onderwijs zou men zich moeten concentreren op het bijbrengen van de basisinformatie.
Een definitie van "goed onderwijs" is moeilijk te formuleren. De omvang van scholen is sterk toegenomen, wat leidt tot een grotere afstand tussen bestuurder en docent. Andere maatschappelijke ontwikkelingen zijn, dat leraren zich niet meer lang aan een school willen binden (na zo’n 5 jaar gaan ze weer iets anders doen). Door de individualisering vormen studenten minder een blok op scholen en wordt protesteren al vrij snel als nutteloos ervaren. Ten slotte wordt gesteld dat ook van ouders een actieve bijdrage mag worden verwacht.
Paul Wessels sluit het symposium en dankt Jan van Nierop voor de uitstekende leiding. De forumleden worden bedankt voor hun deskundige en kritische bijdrage. Ook de circa 45 mensen in de zaal lieten door de vele vragen merken geïnteresseerd te zijn in het onderwerp.
Het D66 Limburg symposium wordt als succesvol ervaren, omdat we onderwerpen in een regionale setting kunnen belichten en omdat dit de Statenfractie nuttige feedback oplevert.
Heel concreet zal de Statenfractie al op 30 mei bij de behandelingvan de Voorjaarsnota de gevolgen van de demografische ontwikkelingen aan de orde stellen.